Je deelt je gewicht door je lengte in het kwadraat en krijgt een getal tussen bijvoorbeeld 17 en 35. Dat getal bepaalt of je in de categorie ondergewicht, gezond gewicht of overgewicht valt. Simpel, maar schijnbaar eenvoudig. De Body Mass Index is een internationale maat die een inschatting geeft of je gewicht gezond is in verhouding tot je lengte, maar het is geen definitief oordeel over je gezondheid. Het is een screeningsinstrument, geen diagnose. Wie de uitslag met gezond verstand bekijkt, kijkt verder dan het getal alleen.
Hoe reken je je BMI eigenlijk zelf uit?
De formule is eenvoudig en je hebt er geen apparaat voor nodig. Je deelt je gewicht in kilo's door het kwadraat van je lichaamslengte in meters. Stel dat je 70 kilo weegt en 1,80 meter lang bent, dan vermenigvuldig je eerst 1,80 met 1,80, wat 3,24 oplevert. Daarna deel je 70 door 3,24 en kom je uit op 21,6. Een ander voorbeeld: weeg je 65 kilo en ben je 1,70 meter lang, dan is de som 65 gedeeld door (1,70 x 1,70) = 22,5. Dit is een rekenkundig feit, geen mening.

De formule werkt voor mannen en vrouwen tussen 19 en 69 jaar. Voor kinderen vanaf 2 jaar en voor mensen van 70 jaar en ouder gelden andere grenswaarden. Ook voor sommige andere groepen is de BMI minder geschikt of zijn andere afkapwaarden van toepassing.
De grenswaarden voor volwassenen tussen 19 en 69 jaar
Voor de meeste volwassenen gelden de volgende categorieën, die internationaal worden gebruikt:
| BMI-waarde | Betekenis |
|---|---|
| Lager dan 18,5 | Ondergewicht |
| 18,5 tot 25 | Gezond gewicht |
| 25 tot 30 | Overgewicht |
| 30 en hoger | Ernstig overgewicht (obesitas) |
Een BMI tussen 18,5 en 25 wordt dus als gezond beschouwd. Dat betekent niet dat iedereen binnen die range automatisch gezond is, of dat iedereen daarbuiten per definitie ongezond is. Het geeft een indicatie. Wie een BMI van 24,5 heeft, zit net binnen de gezonde zone. Wie op 25,5 uitkomt, heeft overgewicht. Het verschil van één punt zegt weinig over je werkelijke conditie, maar het bepaalt wel in welke categorie je valt.
Andere grenzen voor mensen met een Aziatische achtergrond
Mensen met een Zuid-, Zuidoost- of Oost-Aziatische achtergrond hebben een andere vetverdeling. Zij lopen bij een lagere BMI al een verhoogd risico op gezondheidsproblemen. Daarom gelden voor hen strengere grenzen:
| BMI-waarde | Betekenis |
|---|---|
| Lager dan 18,5 | Ondergewicht |
| 18,5 tot 23 | Gezond gewicht |
| 23 tot 27,5 | Overgewicht |
| 27,5 en hoger | Obesitas |
Een BMI van 24 is voor iemand met een Nederlandse achtergrond gezond, maar voor iemand met een Aziatische achtergrond al overgewicht. Dat is een groot verschil en het laat zien dat het getal niet universeel interpreteerbaar is.
Wat betekent de BMI voor 70-plussers?
Voor mensen vanaf 70 jaar bestaan geen officiële afkapwaarden. Onderzoek wijst uit dat ouderen pas bij een BMI van 28 of hoger een groter risico op ziekten hebben. Andersom hebben zij bij een BMI lager dan 22 al een groter risico op ondervoeding. De optimale BMI waarbij het risico op ziekten het laagst is, ligt voor hen dus hoger dan voor jongere volwassenen. In de praktijk hanteren instanties daarom deze waarden:
| BMI-waarde | Betekenis |
|---|---|
| Lager dan 22 | Ondergewicht |
| 22 tot 28 | Gezond gewicht |
| 28 tot 30 | Overgewicht |
| 30 en hoger | Ernstig overgewicht (obesitas) |
Een 75-jarige met een BMI van 26 wordt volgens de standaardtabellen als gezond beschouwd, terwijl dezelfde waarde bij een 40-jarige als overgewicht wordt geclassificeerd.
Wanneer zegt de BMI niets over jou?
De BMI is een grove maat die voor een groot deel van de bevolking redelijk werkt, maar er zijn duidelijke uitzonderingen. In vijf situaties kun je de uitslag beter naast je neerleggen:
- Je bent gespierd – Spiermassa weegt zwaarder dan vetmassa. Iemand die veel aan krachttraining doet, kan een BMI van 27 hebben zonder ongezond te zijn. Het extra gewicht is geen vet, maar spier.
- Je bent zwanger of geeft borstvoeding – Tijdens deze periodes schommelt je gewicht en verandert je lichaam. Een BMI-berekening geeft dan geen betrouwbaar beeld.
- Je bent erg lang of erg klein – De formule houdt geen rekening met extreme lengtes. Voor deze groep is de BMI minder betrouwbaar, al is niet precies bekend vanaf welke lengte dit probleem speelt.
- Je hebt een Aziatische achtergrond – Zoals hierboven beschreven gelden andere grenswaarden.
- Je bent 70 jaar of ouder – De afkapwaarden liggen hoger.
De BMI zegt bovendien niets over je vetverdeling. Twee mensen kunnen dezelfde BMI hebben, maar totaal verschillende hoeveelheden buikvet. En juist dat buikvet is belangrijk voor je gezondheid.
Waarom je ook je buikomvang zou moeten meten
Buikvet geeft een hoger risico op hart- en vaatziekten dan vet op bijvoorbeeld de heupen of benen. De BMI kan dat onderscheid niet maken. Daarom is het verstandig om ook je middelomtrek te meten. Die geeft een inschatting van de vetverdeling in je lichaam. Een te hoge buikomtrek is voor:

- vrouwen: meer dan 80 centimeter
- mannen: meer dan 94 centimeter
Wie boven die waarden zit, heeft een verhoogd risico op gezondheidsproblemen, zelfs als de BMI binnen de gezonde range valt. Andersom geldt hetzelfde: iemand met een BMI van 26 maar een normale buikomtrek hoeft zich minder zorgen te maken dan de cijfers suggereren.
Wat betekent overgewicht of ondergewicht nu concreet?
Een BMI van 25 of hoger betekent dat je meer kans hebt op verschillende gezondheidsproblemen. Denk aan hart- en vaatziekten, diabetes type 2, hoge bloeddruk, galstenen, rug- en gewrichtsklachten en bepaalde soorten kanker. Het KWF noemt ook vruchtbaarheidsproblemen en slaapapneu als mogelijke gevolgen. Ongeveer 4 procent van de mensen met kanker krijgt deze ziekte door overgewicht. Dat is een aanzienlijk aandeel, maar het betekent ook dat 96 procent van de kankergevallen niets met overgewicht te maken heeft.
Een BMI lager dan 18,5 wijst op ondergewicht. Dat brengt andere risico's met zich mee: een grotere kans op ondervoeding door tekorten aan voedingsstoffen, een achteruitgaande afweer en afbraak van vet- en spierweefsel. Dat kan leiden tot vermoeidheid, botbreuken en andere gezondheidsproblemen. Ondergewicht is dus niet iets om te negeren, ook al wordt er in de maatschappij minder aandacht aan besteed dan aan overgewicht.
Wanneer moet je naar de huisarts?
De Hartstichting geeft duidelijke richtlijnen wanneer je een afspraak moet maken:
- je hebt obesitas (BMI van 30 of hoger);
- je hebt ondergewicht (BMI lager dan 18,5);
- je bent in korte tijd veel afgevallen zonder duidelijke reden;
- je hebt overgewicht én een andere aandoening, zoals hart- en vaatziekten, diabetes type 2, chronische gewrichtsklachten, slaapapneu, hoge bloeddruk of hoog cholesterol.
Heb je overgewicht maar geen andere aandoening? Probeer dan eerst zelf gewicht te verliezen door gezond te leven. Lukt dat niet, dan is een huisartsbezoek alsnog verstandig. De huisarts kan je helpen of doorsturen naar een diëtist of gewichtsconsulent.
De BMI zegt niets over hoe mooi je lichaam is
Dit punt verdient nadruk. Het Voedingscentrum stelt het helder: de BMI zegt helemaal niets over hoe mooi een lichaam is. Ieder lichaam is anders en mooi op zijn eigen manier. Het getal is een gezondheidsindicator, geen schoonheidsscore. Toch wordt de BMI in de praktijk vaak gebruikt als maatstaf voor hoe iemand eruitziet of zou moeten uitzien. Dat is een misbruik van het instrument.
Wat de BMI wél kan doen, is een signaal geven. Een gezonde BMI en een gezonde buikomtrek verlagen de kans op diabetes type 2, hoge bloeddruk, galstenen, hart- en vaatziekten, rug- en gewrichtsklachten en bepaalde vormen van kanker. Die relatie is wetenschappelijk goed onderbouwd. Maar het blijft een statistisch verband, geen persoonlijk vonnis.
Hoe gebruik je de BMI-uitslag verstandig?
De uitslag van je BMI is een startpunt, geen eindconclusie. Combineer het getal met je buikomvang, je levensstijl en je familiegeschiedenis. Ben je gespierd, zwanger of ouder dan 70? Dan zegt het getal minder over jou. Twijfel je of de uitslag bij je past? Dan is een gesprek met een gewichtsconsulent, diëtist of huisarts de volgende stap. Zij kunnen een persoonlijk advies geven dat rekening houdt met jouw specifieke situatie.
Wie zijn gewicht en buikomtrek langere tijd wil bijhouden, kan gebruikmaken van een eetdagboek of app. Het Voedingscentrum biedt hiervoor Mijn Eetmeter, waarin je je ontwikkeling in grafieken kunt volgen. Zo zie je niet alleen waar je staat, maar ook waar je naartoe beweegt. En dat is uiteindelijk belangrijker dan één momentopname.
De kern is dit: bereken je BMI, meet je buikomvang, maar laat geen enkel getal bepalen hoe je naar jezelf kijkt. Gebruik de informatie om bewuste keuzes te maken over eten en bewegen. En onthoud dat gezondheid meer is dan een formule met twee variabelen. De BMI is een handig hulpmiddel, maar jij bent meer dan een uitkomst op een rekenmachine.
