Een getal op de weegschaal zegt minder dan je denkt. De Body Mass Index, kortweg BMI, is wereldwijd de meest gebruikte maat om te bepalen of iemand een gezond gewicht heeft. Je berekent hem door je gewicht in kilo's te delen door je lengte in meters in het kwadraat. Weeg je 70 kilo en ben je 1,80 meter, dan is je BMI 70 gedeeld door (1,80 x 1,80) = 21,6. Dat klinkt helder, maar de praktijk is weerbarstiger. Voor heel wat vrouwen klopt het plaatje niet, omdat de BMI geen rekening houdt met spiermassa, vetverdeling of leeftijd.
Wat zegt een gezonde BMI voor een vrouw precies?
Voor volwassenen tussen 19 en 69 jaar geldt een BMI tussen 18,5 en 25 als gezond. Onder 18,5 spreken we van ondergewicht, van 25 tot 30 van overgewicht en vanaf 30 van obesitas. Die grenzen gelden voor mannen en vrouwen op dezelfde manier. Toch is het belangrijk om te beseffen wat dit cijfer wél en niet meet. De BMI geeft een verhouding tussen lengte en gewicht, maar zegt niets over de samenstelling van je lichaam. Twee vrouwen met exact dezelfde lengte en hetzelfde gewicht kunnen een totaal verschillende verhouding vet en spieren hebben.

Een gezond gewicht verlaagt wel degelijk de kans op diabetes type 2, hoge bloeddruk, galstenen, hart- en vaatziekten, rug- en gewrichtsklachten en bepaalde vormen van kanker. Dat is geen reden om je te fixeren op een ideaalplaatje, maar wel om je gewicht serieus te nemen. Het Voedingscentrum benadrukt daarbij dat de BMI helemaal niets zegt over hoe mooi een lichaam is. Ieder lichaam is anders, en schoonheid heeft geen getal nodig.
Uitzonderingen die de BMI minder betrouwbaar maken
Voor sommige groepen werkt de standaard BMI-berekening niet goed. Ben je heel gespierd, zwanger of geef je borstvoeding, dan zegt het getal weinig. Hetzelfde geldt voor mensen die erg lang of erg klein zijn. Een fanatieke krachtsporter kan een BMI in de overgewichtcategorie hebben terwijl haar vetmassa laag is, omdat spiermassa zwaarder weegt dan vetmassa. In dat geval is de BMI een slechte raadgever en moet je naar andere maten kijken.
Ook voor mensen van Aziatische afkomst gelden andere grenzen. Zij hebben een andere vetverdeling, waardoor de gezondheidsrisico's al bij een lagere BMI toenemen. Voor hen ligt een gezond gewicht tussen 18,5 en 23, overgewicht tussen 23 en 27,5 en obesitas vanaf 27,5. Wie deze achtergrond heeft en alleen de algemene tabel gebruikt, kan een vertekend beeld krijgen.
De middelomtrek vult de BMI aan
Waar het vet zit, is minstens zo belangrijk als hoeveel je weegt. Vet in en rond de buik is een belangrijke risicofactor voor diabetes type 2 en hart- en vaatziekten. Buikvet is schadelijker dan vet op heupen en benen. Daarom raden het Voedingscentrum en de Hartstichting aan om naast de BMI ook je middelomtrek te meten.
Zo meet je hem correct:
- Ga rechtop staan en meet op je blote huid tussen de onderkant van je onderste rib en de bovenkant van je bekken.
- Houd het meetlint niet te strak.
- Adem uit en lees de omtrek af.
De grenswaarden voor de middelomtrek gelden voor mensen met een Europese, Amerikaanse, Midden-Oosterse en Mediterrane achtergrond. Voor andere bevolkingsgroepen worden andere afkappunten voorgesteld. Bij twijfel is een huisarts of diëtist de aangewezen persoon om je te begeleiden.
Wat als BMI en middelomtrek elkaar tegenspreken?
Meestal geven beide metingen dezelfde uitkomst, maar dat is niet altijd zo. Die situaties verdienen aandacht, want ze zeggen iets over je gezondheid dat één getal alleen niet kan tonen.
Heb je een gezond gewicht volgens je BMI, maar een te hoge middelomtrek? Dan is het advies om je gewicht gelijk te houden en te voorkomen dat je buikomvang verder toeneemt. Gezond eten en voldoende bewegen zijn daarbij de basis. Het omgekeerde kan ook: een BMI van 30 of hoger met een gezonde of verhoogde middelomtrek. In dat geval is het verstandig om de meting te herhalen, eventueel met hulp van iemand uit je omgeving of een professional, en het resultaat opnieuw te bekijken.

Voor wie veel aan krachttraining doet, is de middelomtrek een goede aanvullende maat. Staat die op een gezond niveau, dan is afvallen niet nodig, ook al zegt de BMI iets anders. Wie het zeker wil weten, kan bij een diëtist de vet- en spiermassa laten bepalen om de lichaamssamenstelling in kaart te brengen.
Leeftijd verandert de spelregels
Vanaf 70 jaar gelden andere BMI-grenzen. Het lijkt erop dat een iets hogere BMI bij ouderen geen verhoogd risico op hart- en vaatziekten geeft. In de praktijk houdt men voor 70-plussers een BMI tussen 22 en 28 aan voor een gezond gewicht. Onder 22 spreken we van ondergewicht, van 28 tot 30 van overgewicht en vanaf 30 van obesitas.
Ook de middelomtrek is voor ouderen minder betrouwbaar. De bestaande grenswaarden liggen mogelijk te laag, maar er is nog geen duidelijkheid over welke afkappunten wél gebruikt moeten worden. Ben je 70 jaar of ouder en twijfel je of je middelomtrek gezond is? Neem dan contact op met je huisarts.
Voor 65-plussers geldt een gezonde BMI tussen 23 en 28. Ondergewicht met onvrijwillig gewichtsverlies is bij hen een signaal van een toegenomen sterfterisico. Overgewicht tussen 28 en 33 gaat bij ouderen niet gepaard met een verhoogd risico, maar vanaf een BMI boven 33 wel. De lichaamssamenstelling verandert immers met de jaren: spiermassa daalt en de lengte neemt af met ongeveer 1 à 2 centimeter per decennium, waardoor de BMI automatisch toeneemt.
De BMI is een vertrekpunt, geen eindconclusie
Een BMI tussen 18,5 en 25 betekent niet automatisch dat je evenwichtig eet en voldoende beweegt. Het omgekeerde geldt ook: mensen met licht overgewicht eten niet per definitie ongezond. Wie zich alleen op het getal richt, mist de essentie. Een gezond gewicht is het resultaat van een gezonde leefstijl, niet andersom.
Daarom is het advies van Gezond Leven duidelijk: fixeer je niet op je BMI of op de weegschaal. Besteed in de eerste plaats aandacht aan evenwichtige voeding, beweeg voldoende en beperk lang stilzitten. De BMI en de middelomtrek zijn hulpmiddelen om je gezondheidsrisico in te schatten, maar ze vertellen niets over hoe je eet, hoe je slaapt of hoe je je voelt.
Wanneer moet je wel naar de huisarts?
Er zijn situaties waarin een eigen inschatting niet volstaat. Maak een afspraak bij je huisarts als je obesitas hebt, ondergewicht hebt, of in korte tijd veel bent afgevallen zonder duidelijke reden. Ook wie overgewicht combineert met een aandoening zoals hart- en vaatziekten, diabetes type 2, chronische gewrichtsklachten, slaapapneu, hoge bloeddruk of hoog cholesterol, doet er goed aan professionele hulp te zoeken.
Heb je overgewicht zonder andere aandoening? Probeer dan eerst zelf gewicht te verliezen door gezond te leven. Lukt dat niet, dan kan de huisarts je helpen of doorverwijzen naar een diëtist of een coach Bewegen Op Verwijzing. Voor wie twijfelt of de BMI voor haar situatie wel de juiste maat is, geldt hetzelfde advies: vraag raad aan een professional in plaats van zelf conclusies te trekken uit een online calculator.
Het meest eerlijke antwoord op de vraag naar een ideaal gewicht is dan ook: er is geen universeel getal. De combinatie van BMI en middelomtrek geeft een goede indicatie van je gezondheidsrisico, maar geen volledig beeld. Wie echt wil weten of haar gewicht gezond is, kijkt naar beide metingen, houdt rekening met leeftijd en achtergrond, en luistert naar een professional wanneer de cijfers niet eenduidig zijn. Een calculator kan je op weg helpen, maar het laatste woord is aan je lichaam en aan iemand die er verstand van heeft.
